Mary Meeker: het stijgende belang van spraaktechnologie

Mary Meeker werkt bij durfkapitaalverstrekker KPCB, waar ze bedrijven adviseert bij investeringen in technologiebedrijven. Daarvoor werkte ze als research analyst en uiteindelijk managing director bij Morgan Stanley. Sinds begin jaren 2000 presenteert ze jaarlijks een slidedeck met trends in de wereld van internet en technologie die volgens haar het volgen waard zijn. In het begin was dit nog een bescheiden set van een 50-tal slides, maar de laatste jaren is dit gegroeid tot een rapport van 200 slides. Elk jaar als het rapport uitkomt, wordt dit gretig gedeeld en becommentarieerd.

Perfect leesvoer voor in de zomervakantie dus. De slidedeck kun je terugvinden op de site van KPCB, net als het archief met alle vorige rapporten. Een selectie van 15 slides kun je hier vinden.

Het volledige rapport van 2016 staat ook onderaan deze blogpost. Deze topics komen aan bod:

  1. Globale internettrends (slide 5-8): Wereldwijd zijn er ruim 3 miljard internetgebruikers (=42% van totale bevolking). Groei valt wel terug van +15% in 2009 naar +9% in 2015. India kent wel een sterke stijging internetgebruikers (+40%), en heeft met 277 miljoen gebruikers de VS voorbijgestoken als de op één na grootste markt van internetgebruikers (na China).
    2016-internet-trends-report-6-638
  2. Groei smartphone valt stil (slide 9-12): Het aantal gebruikers steeg in 2015 met 21%; in 2014 was dat nog 31%. Meer dan de helft van de gebruikers komen intussen uit Asia Pacific (Azië + Oceanië); in 2008 was dat nog maar 1 op 3. Ook de verkoop van smartphones is sterk teruggevallen: in 2015 werden er 10% meer smartphones verkocht dan het jaar voordien; in 2014 bedroeg die groei nog 28%. Android-toestellen kennen nog wel een groei, maar iPhone kent in 2016 voor het eerst een daling in het aantal verkochte toestellen. Dit komt overeen met wat Apple zelf rapporteert in zijn kwartaalcijfers: in de periode januari-maart 2016 werden er 16% minder iPhones verkocht dan in dezelfde periode het jaar voordien.

    2016-internet-trends-report-12-1024

    NOOT: ASP=Average Selling Price; in dit geval de gemiddelde verkoopprijs van een smartphone.

  3. Groei in ontwikkelingslanden neemt af (slide 13-15): Grootste drempels blijft een gebrekkige infrastructuur, gekoppeld aan het ontbreken van een incentive of reden om online te gaan, gebrek aan internetvaardigheden en een te hoge kost ten opzichte van een laag inkomen. Die laatste drempel zien we ook opduiken als drempel om een smartphone aan te schaffen: in Ethiopië bijvoorbeeld bedraagt de gemiddelde kostprijs van een smartphone daar 48% van het gemiddelde jaarloon per inwoner.In Vietnam is dat 15%. Ter vergelijking: in ontwikkelde landen zoals Duitsland of Japan bedraagt de gemiddelde prijs van een smartphone nauwelijks 1% van het gemiddelde jaarinkomen per inwoner.
    2016-internet-trends-report-15-638
  4. Wereldwijde economische groei vertraagt (slide 17-40): De voorbije 20 jaar bedroeg de wereldwijde groei in Bruto Binnenlands Product (BBP) gemiddeld 3,8% per jaar. In 6 van de laatste 8 jaar zat de groei echter onder dat gemiddelde. Ook de prijs van bulkgoederen zoals granen en (edel)metalen zit in een neerwaartse trend, wat ook gelinkt kan zijn met een verlaagde economische groei. Ook de regio’s met het grootste aandeel binnen het wereldwijde BBP zijn de laatste 30 jaar gewijzigd. In 1985 waren China en de andere opkomende Aziatische landen (zonder Japan) goed voor 18% van het wereldwijde BBP; in 2015 is hun aandeel gestegen naar 63%. Omgekeerd is het aandeel van Europa, Noord-Amerika en Japan gedaald van 63% in 1985 naar 29% in 2015. Verder zien we een wereldwijde stijging aan overheidsschulden, zakken rentes naar een dieptepunt, en zien we de wereldbevolking vergrijzen (dalend geboortecijfer en stijgende levensduur). Mary Meeker ziet in al deze uitdagingen een grote rol weggelegd voor innovatie om dit op te vangen.
    2016-internet-trends-report-22-638
  5. Online advertentiemarkt (slide 42-48): Blijft stijgen, vooral dankzij mobiel. Maar: nog veel potentieel voor mobile advertising (nog teveel storende advertenties, cf. gebruik van adblockers, en vooral nood aan originele, authentieke advertenties gebracht op een zo min mogelijk storende manier, bv zonder geluid en zonder volledig scherm in te palmen).
    2016-internet-trends-report-47-638
  6. Marketing en commerce (slide 50-70): Verschilt per generatie. Grote evoluties op vlak van handel, met laatste jaren sterke groei op vlak van online en mobiel shoppen. ‘Fysieke’ winkels krijgen een steeds belangrijker digitale poot. Maar: omgekeerd zien we ook steeds vaker dat pure webshops ook een offline ‘fysieke’ winkel openen (cf. Amazon).
    2016-internet-trends-report-60-638
  7. Belang visuele communicatie (afbeeldingen/video) neemt toe (slide 72-96): Platformen met hoogste engagement zijn platformen die sterk gericht zijn op video en foto (Facebook, Snapchat, Instagram). Steeds meer aandacht voor real-time streaming van video’s gefilmd door gebruikers (Periscope, Facebook Live). Delen van foto’s stijgt vooral op berichtendiensten (Snapchat, WhatsApp, Facebook Messenger), terwijl groei op sociale media (Facebook, Instagram) lijkt te vertragen. Sterk potentieel van gebruik foto’s/video’s voor commerciële doelen (bv: 55% van de Pinterestgebruikers zegt het platform te gebruiken om een product op te zoeken en/of te kopen).
    2016-internet-trends-report-90-638
  8. Opmars berichtendiensten gaat verder (slide 97-110): Sterke stijging in gebruikersaantallen (WhatsApp telt intussen ruim 1 miljard gebruikers). Bieden steeds nieuwere vormen van zelfexpressie (emoticons-stickers-GIF (afbeeldingen met animatie)-filters/lenzen/maskers). Steeds vaker andere diensten geïntegreerd (bv mobiel bankieren, taxi reserveren, eten bestellen, mobiel shoppen,…). Ook steeds vaker gebruikt voor communicatie tussen bedrijven en (vooral jonge) klanten.
    2016-internet-trends-report-107-638
  9. Gesproken commando’s steeds populairder (slide 112-133): Spraakherkenning wordt steeds accurater (grootste platformen scoren boven 90% accuraatheid). Dat vertaalt zich in een steeds wijder verspreid gebruik: 65% van smartphonebezitters in de VS gebruikt een voice-assistant minstens één keer per jaar. Siri, de virtuele assistent op iOS-toestellen, behandelt ruim 1 miljard gesproken commando’s per week. In de VS zijn 1 op 5 van de zoekopdrachten op Android-toestellen intussen gesproken opdrachten. Grootste voordeel is dat de bediening handenvrij en zichtsvrij: je hoeft je handen en je ogen niet te gebruiken om het toestel te bedienen. Dat verklaart waarom de wagen voor 36% van de gebruikers in de VS de voornaamste setting is waar spraakbesturing gebruikt wordt. Amazon Echo, een standalone toestel dat op basis van spraakcommando’s zoekopdrachten kan uitvoeren of andere apps (bv. muziekapps) of toestellen kan besturen, kent ook een steile groei.
    2016-internet-trends-report-125-638
  10. Technologie steeds belangrijker in transport- en autosector (slide 134-159): Rol van smartphone/wearables om functies van een wagen te bedienen nemen toe (Tesla laat bijvoorbeeld toe om de wagen te sluiten of zelfs te parkeren aan de hand van een smartphone of smartwatch). De technologie achter zelfrijdende wagens kent grote vooruitgang.
    2016-internet-trends-report-139-638
  11. Focus op China (slide 160-181): China blijft met 668 miljoen gebruikers de grootste internetmarkt. WeChat blijft veruit het belangrijkste mobiele platform in China: 35% van alle tijd gespendeerd op de smartphone in China is op naam van WeChat. Sinds 2015 genereert internet ook meer advertentie-inkomsten dan televisie. E-commerce en mobiel betalen is in China belangrijker (en omvangrijker) dan in de VS.
    2016-internet-trends-report-167-638
  12. Data: platformen en privacy (slide 193-): De hoeveelheid beschikbare digitale informatie neemt sterk toe, terwijl opslagkosten van data sterk daalt. Ook de bronnen die digitale data genereren neemt toe: sociale media, berichtendiensten, geconnecteerde toestellen (bv. wagens, huishoudapparaten,…), drones, wearables,… Hierdoor neemt ook het vraagstuk over databeveiliging en privacy toe.
    2016-internet-trends-report-196-638

 

AlphaGo: sublieme marketing of het einde van de mensheid?

Nu Alphabet er via het dochterbedrijf DeepMind erin geslaagd is om een programma te ontwikkelen (‘AlphaGo’) dat de wereldkampioen Go kan verslaan met 4-1 (wie uitgebreide analyses en videoverslagen van de wedstrijden wil herbekijken, kan op de site van Go Game Guru terecht), rijst de vraag of dit betekent dat machines het overnemen van de mensheid, of als dit gewoon een sterke marketingstunt is van het moederbedrijf van Google.

De waarheid zit ergens tussenin. Hoe complex de strategieën en speelstijlen van Go ook zijn, het blijft een afgebakend terrein met duidelijke (en op zich eenvoudige) spelregels. Het leven buiten het Go-speelbord is nog onnoemelijk veel complexer en minder te vatten in duidelijke ‘spelregels’. In een reactie aan De Standaard stelt professor Luc Steels, oprichter van het AI Lab aan de VUB, dat artificiële intelligentie nog lang niet het niveau van een tweejarig kind evenaart, dat er veel beter in slaagt de complexe wereld rondom ons te begrijpen.

Toch mogen we de prestatie zeker niet onderschatten. Go mag dan op zich een spel zijn met eenvoudige spelregels en op die manier gemakkelijk aan te leren zijn, toch wordt het beschouwd als één van de meest complexe bordspelen ter wereld. De reden hiervoor is dat er gigantisch veel zetten mogelijk zijn (2,08168199382 × 10170, of voor wie het wat exacter mag zijn: 208168199381979984699478633344862770286522453884530548425639456820927419612738015378525648451698519643907259916015628128546089888314427129715319317557736620397247064840935 mogelijke zetten). Dat is bijvoorbeeld een groter aantal dan het aantal atomen in het observeerbare deel van het heelal. Dat enorme aantal zorgt ervoor dat er veel mogelijke strategieën zijn, en dat spelers hun strategie tijdens het spel moeten kunnen aanpassen aan de situatie. Veel meer dan bij schaken moeten spelers dan ook vertrouwen op hun intuïtie, en het spelverloop aanvoelen. Simpelweg omdat het niet mogelijk is om alle mogelijke (tegen)zetten te overzien en te analyseren, zelfs niet voor computers. Dat is meteen ook het verschil met Deep Blue, de IBM-computer die in 1997 toenmalig schaakkampioen Kasparov versloeg. Deep Blue deed dat puur op rekenkracht: alle mogelijke zetten werden in de computer ingevoerd, en tijdens het spel kon Deep Blue per seconde tot 200 miljoen mogelijke zetten evalueren. Dat is bij schaken voldoende, maar voor Go veel te weinig. AlphaGo gooit het over een andere boeg, en zet in op ‘machine learning‘. AlphaGo analyseerde meer dan 30 miljoen zetten van menselijke Go-spelers. Hiervoor maakt AlphaGo gebruik van neurale netwerken, naar analogie van hoe het menselijke brein werkt. Een stap verder is dan om niet enkel één van die 30 miljoen aangeleerde zetten te repliceren, maar om zelf zetten te ‘bedenken’. Daarvoor werd gebruik gemaakt van ‘reinforcement learning’. Daarbij komt het erop neer dat AlphaGo  spelletjes Go speelt tegen zichzelf, de uitkomst ervan analyseert en zo leert ‘aanvoelen’ welke strategie er wanneer het best werkt. Op die manier kan het foute beslissingen detecteren en vermijden in de toekomst, maar ook inspelen op foute beslissingen van de tegenstander. Iets wat in het eerste spelletje tegen de wereldkampioen Go van pas kwam. Deze vorm van machine learning is een vorm van unsupervised learning, waarbij het systeem een model van de werkelijkheid ontwikkelt (in dit geval een model van hoe Go gespeeld wordt), en nieuwe impulsen (nieuwe zetten op het bord dus) aftoetst met dat model, en het model eventueel aanpast. Bij supervised learning wordt een letterlijke betekenis of relatie aangeleerd. In een interview vergeleek Mark Zuckerberg het met hoe je een prentenboek bekijkt met een kind: ‘dat is een hond, dat is een boom, dat is een vogel’. Na een paar keer te herhalen weet het kind welk patroon een hond is, en welk patroon een vogel.

De overwinning van AlphaGo is dus een gigantische stap voor AI. Toch blijft de uitdaging enorm om over te stappen van intelligentie op afgebakende, artificiële settings (wat een spel als Go nog steeds is), naar intelligentie die recht in de complexe werkelijkheid staat, en erin slaagt te interageren met elk aspect van ons dagelijkse leven.

 

 

 

 

Sci-Hub, de Popcorn Time voor wetenschappelijke artikelen

Net als bij films en series komen ook academische papers vaak achter een betaalmuur terecht. En net als je bij films en series tools hebt als Popcorn Time die die betaalmuur omzeilen, kun je via Sci-Hub gratis full papers downloaden die normaal enkel beschikbaar zijn voor organisaties die de (hoge) jaarlijkse vergoeding aan de uitgeverij betalen.

Vanwaar dit initiatief? Uitgeverijen rekenen soms erg hoge vergoedingen aan om toegang te krijgen tot de artikelen uit de journals. Zo trok Harvard enkele jaren geleden al aan de alarmbel dat het op dat moment jaarlijks $3,5 miljoen betaalde aan abonnementen op journals. Harvard vroeg aan de eigen onderzoekers om zoveel mogelijk te publiceren in open-access tijdschriften. Ook andere universiteiten zoals Cornell hebben noodgedwongen moeten snoeien in de abonnementen op wetenschappelijke journals.

Wat daarbij vaak ook steekt, is dat die hoge kosten op zich niet ten goede komen van de onderzoekers zelf. Uitgeverijen zoals Elsevier en Sage betalen geen vergoeding aan de auteurs van artikels. Onderzoekers staan dus hun copyright af aan de uitgeverij, zonder daarvoor betaald te worden. Vaak bepaalt het journal ook dat het artikel nergens anders (gratis) ter beschikking mag worden gesteld. Zo kom je tot situaties waarin onderzoekers geen toegang hebben tot de paper van hun dichte collega’s als hun onderzoeksinstelling toevallig geen abonnement heeft op dat tijdschrift. Ook het peer-to-peer reviewsysteem, waarbij papers worden beoordeeld door mede-onderzoekers, gebeurt volledig op vrijwillige basis.

Vroeger werden toegangscodes tot betalende journals al geruild tussen onderzoekers uit verschillende onderzoeksinstellingen. Een studente uit Kazachstan, Alexandra Elbakyan, nam dit principe een stuk verder en richtte Sci-Hub op. Via Sci-Hub kun je vrijwel elk artikel gratis downloaden die normaal achter betaalmuren zitten. Sci-Hub werkt via twee systemen. In de eerste plaats zoekt het in de database van piratensite LibGen of het artikel daar niet beschikbaar is. Is dat niet het geval, dan omzeilt Sci-Hub zelf de betaalmuur van de uitgeverij om het artikel daar op te halen (waarna het de paper meteen ook toevoegt aan de LibGen-database). Hiervoor kan Sci-Hub rekenen op accesscodes die sympathiserende onderzoekers ter beschikking stellen.

Je hoeft trouwens niet telkens naar de website van Sci-Hub te surfen om een paper te downloaden. Het volstaat om de URL van Sci-Hub (op dit moment sci-hub.io) te plakken volgens dit stramien: http://journalnaam.com.sci-hub.io/artikelcode. Zo kun je in real time de betaalmuur omzeilen.

Dat uitgeverijen hier niet gelukkig mee zijn, is niet te verwonderen. In oktober 2015 gaf een rechtbank in New York Elsevier gelijk, en moest de website van Sci-Hub (toen nog Sci-Hub.org) gesloten worden. Een uitspraak die doet denken aan rechtzaken tegen Popcorn Time, en met dezelfde uitkomst: Sci-Hub verhuisde gewoon naar een ander domein (.io) waarop rechtbanken in de VS geen jurisdictie hebben.

Alphabet: Eerste kwartaalcijfers, meteen waardevoller dan Apple

Alphabet heeft voor het eerst sinds de oprichting in augustus 2015 kwartaalcijfers uitgebracht. Alphabet is de holding van Google en alle andere diensten die Google de voorbije jaren heeft opgericht of opgekocht zoals Nest, Calico, Fiber en het beruchte innovatielab Google X, vooral gekend van projecten zoals Google Glass, de Google Car en Project Loon (wifi voorzien in afgelegen gebieden door middel van luchtballonnen), maar ook net iets minder evidente zaken zoals een lift naar de ruimte of teleportatie.

 

 

Alphabet heeft in het laatste kwartaal van 2015 $21,3 miljard omzet gemaakt, en $4,9 miljard winst. Peanuts in vergelijking met wat Apple heeft binnengehaald in dezelfde periode ($75,9 miljard omzet en $18,4 miljard winst), maar toch heeft Alphabet Apple van de troon gestoten als meest waardevolle bedrijf. De reden hiervoor is vooral omdat Alphabet een sterke omzetgroei kende (+18% ten opzichte van het vierde kwartaal van 2014), terwijl Apple voor het eerst lijkt te plafonneren. Bovendien heeft Alphabet een hoog groeipotentieel. Heel wat diensten uit de groep ‘Other bets’ (de diensten die niet rechtstreeks aan Google gelinkt zijn, zoals Nest, Fiber en Google X) zijn nu verlieslatend ($-3,6 miljard in 2015), maar hebben wel een sterk potentieel. Neem nu de zelfrijdende wagen. Alphabet kan investeerders heel concrete vorderingen tonen van het Google Car project, waardoor minstens de perceptie ontstaat dat Google veel sneller winst zal maken in dit segment dan Apple, die nog steeds niet willen communiceren hoe ver ze staan met de Apple Car. Ook lijkt het erop dat Apple interesse begint te tonen voor Virtual en Augmented Reality, terwijl Google al een hele tijd investeert in deze technologie. Dit alles zorgt ervoor dat investeerders meer groeimogelijkheden zien bij Alphabet op kortere termijn, terwijl bij Apple de vooruitzichten minder spectaculair ogen. Ook het bericht dat Alphabet grote investeringen plant in Virtual Reality, de clouddiensten en artificiële intelligentie draagt bij tot de positieve buzz die rond deze kwartaalrapportering hangt.

Door het opsplitsen van Alphabet in het Google segment en in de ‘other bets’ vallen een aantal zaken op. De omzet van Alphabet bestaat bijna volledig uit omzet uit het Google segment (waar ook wel Android en YouTube onder vallen). Het afgelopen jaar heeft Alphabet een omzet gehaald van $75 miljard, waarvan $74,5 miljard uit het Google segment, en nog geen half miljard uit de ‘other bets’. Wel dient gezegd dat veel van wat onder de ‘other bets’ valt nog niet op de markt zijn en dus nog in een ‘pre-revenue’ fase zitten.

Alphabet jaaromzet google vs other bets

Eigen grafiek op basis van kwartaalcijfers Alphabet (https://abc.xyz/investor/index.html)

De omzet van het Google segment zelf is dan weer bijna volledig opgebouwd uit advertentie-inkomsten. Het afgelopen kwartaal heeft het Google segment een omzet van $21,2 miljard behaald, waarvan $19,1 miljard uit advertenties en $2,1 miljard uit andere inkomstenbronnen (bijvoorbeeld Google Play, YouTube Red).

 

digiMeter (of was het nu digibesitasmeter?)

Naar jaarlijkse gewoonte brengt iMinds het bezit en gebruik van media en technologie in Vlaanderen in kaart via digiMeter. De smartphone geraakt steeds meer ingeburgerd in Vlaanderen: 69% van de Vlaamse populatie (15 jaar en ouder) heeft intussen een smartphone op zaken zelfs bij 65-plussers stelt 1 op 3 een ‘slimme telefoon’ te hebben. Het bezit van tablets lijkt dan weer te stagneren op net geen zes op tien Vlamingen, terwijl het dagelijks gebruik van die tablet te lijden heeft onder het succes van de smartphone. Nieuwe vormen van media, met op kop de zogenaamde over-the-top spelers lijken op dit moment vooral nog bovenop de traditionele media te komen. Netflix komt dus niet meteen in de plaats van de traditionele zenders, maar vormt gewoon een extra, flexibele laag erbovenop. Hetzelfde zien we bij messaging: het dagelijks sturen van sms’en blijft stand houden, terwijl berichtendiensten zoals Facebook Messenger, WhatsApp en Snapchat steeds populairder worden. Die opeenstapeling van traditionele en nieuwe media, op alsmaar meer schermen (8 op 10 heeft minstens 3 types schermen in huis), leidt bij sommigen tot wat je ‘digibesitas’ kunt noemen. Een term die gretig werd opgepikt in de media (zie onder andere De Standaard, De Tijd, Datanews, het VRT journaal en VTM nieuws). In De Afspraak op Canvas ging het over de impact van ‘digibesitas’ op het psychologisch welbevinden. Het Nieuwsblad ging bij collega Tony van Rooij ten rade wat we daar precies kunnen tegen doen. En intussen heeft ook Sociaal Incapabele Michiel (De Ideale Wereld op Canvas) al toegegeven te lijden aan digibesitas.

IDC: Aantal wereldwijd verscheepte PC’s voor het eerst sinds 2008 onder de 300 miljoen

In 2015 zijn wereldwijd 276 miljoen PC’s verscheept (desktop en laptops samen). Dat is 10,4% minder dan in 2014, toen er nog 308 miljoen computers verscheept werden. Hiermee duikt de verkoop van PC’s voor het eerst sinds 2008 onder de 300 miljoen stuks. Dat alles leert ons de nieuwe cijfers die IDC heeft bekendgemaakt. Verklaringen voor deze daling ziet IDC vooral in de lange levensduur van PC’s (vooral in vergelijking met bijvoorbeeld smartphones), maar ook in economische factoren zoals de sputterende economie in China, en in veranderingen in besturingssystemen bij bijvoorbeeld Microsoft. Dat laatste aspect zou er echter voor kunnen zorgen voor een positief effect in 2016, met vooral een verwachte stijging in adoptie van Windows 10.

PC shipments table 2015

CES 2016

Jaarlijks zijn er twee technologiebeurzen die toch net wat meer aandacht trekken dan andere. In maart is er de SxSW, en deze week ging CES van start. Wat staat er op het programma van CES dit jaar? Veel ‘smart’ toepassingen (smart cars, smart homes, zelfs smart shoes en smart voederbakjes voor je huisdier), drones (met opmerkelijk een drone die passagiers kan vervoeren), gezondheidstoepassingen, virtual en augmented reality, en de verdere expansie van 4K televisie en OLED schermtechnologie. Hieronder enkele specifieke zaken verder uitgelicht, wellicht volgende week nog meer. Wie een overzicht wil, kan terecht op de site van CES, maar ook technologiesites zoals TechCrunch, Digital Trends en C|Net brengen uitgebreid verslag uit. Voor wie van lijstjes houdt: ZDnet heeft lijstjes van wat zij als meest opvallende en vreemdste trends op CES zien, Het Nieuwsblad houdt het bij de ‘coolste’ trends van de beurs.

Rapport AdLit: Mediagebruik bij minderjarigen

AdLit*, een onderzoeksproject rond reclamewijsheid, heeft een eerste rapport uitgebracht. Vanuit wetenschappelijke literatuur en rapporten zoals Apestaartjaren, digiMeter, Iene Miene Media (Nederland) en Common Sense Media (VS) wordt een overzicht gemaakt van mediagebruik bij kinderen en jongeren. Dit rapport vormt een onontbeerlijk startpunt voor AdLit, omdat je eerst moet weten hoe en welke media kinderen en jongeren gebruiken, vooraleer je een inzicht kunt verwerven in hoe minderjarigen omgaan met advertenties op die platformen.

Het eerste deel schetst een globaal beeld van mediagebruik bij kinderen en jongeren. Zo zien we dat kinderen en vooral jongeren nog wel positief staan tegenover kranten en tijdschriften, maar dat ze steeds vaker de digitale versies ervan consumeren. Toch zegt 1 op de 8 kinderen (tussen 9 en 12 jaar) dat ze dagelijks een papieren krant en/of (kinder)tijdschrift lezen, bij jongeren is dat 1 op 4. Dit geeft al aan dat de leesfrequentie van kranten en tijdschriften toeneemt met de leeftijd van kinderen/jongeren, een belangrijke bevinding om onderzoek rond reclamewijsheid op te zetten.

 

Leesfrequentie geschreven pers bij kinderen en jongeren (bron: Het mediabezit en –gebruik bij minderjarigen anno 2014 - rapport in kader van AdLit SBO)

Leesfrequentie geschreven pers bij kinderen en jongeren
(bron: Het mediabezit en –gebruik bij minderjarigen anno 2014 – rapport in kader van AdLit SBO)

Consumptie van radio bij kinderen en jongeren blijft stabiel. Net als bij geschreven pers ligt de frequentie waarop kinderen en jongeren luisteren naar de radio lager dan het gebruik van internet of het kijken naar televisie, maar toch zien we dat radio populair blijft bij minderjarigen, zeker in vergelijking met anderen landen. Als we dieper kijken in de resultaten van digiMeter 2014, dan valt op dat het luisteren naar de radio vrij stabiel blijft over alle leeftijdsgroepen heen (met toch een piek tussen 20 en 49 jaar), terwijl er een sterke relatie is tussen leeftijd en het consumeren van online muziek via kanalen als Spotify, YouTube en iTunes (hoe jonger, hoe populairder online muziekkanalen zijn). Bij de jongste groep in de digiMeter-studie (15-19 jaar) zien we zelfs dat de online muziekkanalen populairder zijn dan de traditionele radiostations.

DigiMeter 2014 - Gebruik radio en online muziek per leeftijd (Bron: digiMeter 2014 - www.iMinds.be/digiMeter)

DigiMeter 2014 – Gebruik radio en online muziek per leeftijd
(Bron: digiMeter 2014 – www.iMinds.be/digiMeter)

Televisie blijft enorm populair bij kinderen en jongeren, zeker als je ook internetvideo mee in rekening brengt. Het klassieke televisietoestel en lineaire programmering blijft de ruggengraat voor televisieconsumptie bij jongeren, maar daar bovenop komt een steeds grotere laag van alternatieve vormen van televisieconsumptie. Niet alleen het aantal vormen neemt toe (uitgesteld kijken, video on demand (bijvoorbeeld Netflix), user generated content (bijvoorbeeld YouTube),…), maar ook de toestellen waarop audiovisuele media worden bekeken is sterk uitgebreid (smart TV, laptop, smartphone, tablet, mediastreamers zoals Apple TV en Google Chromecast om internetvideo te streamen op je televisietoestel,…).

Internet neemt een steeds belangrijker plaats in bij kinderen en jongeren. Zelfs bij kinderen van 3-4 jaar blijkt 7 op 10 al online actief te zijn (vaak voor het bekijken van videoclips). Naarmate ze ouder worden komen daar andere activiteiten bovenop zoals het spelen van (educatieve) games, het opzoeken van informatie (bijvoorbeeld bij het maken van huiswerk) en het aangaan van sociale contacten via sociale media en chat/messaging.

Twee toestellen die voor kinderen en jongeren nauw samenhangen met de opmars van digitale media zijn de smartphone en de tablet. Mobiele telefoons kennen een scharnierpunt rond 12 jaar (de start aan de middelbare school blijk voor 41% ook de leeftijd te zijn waarop ze voor het eerst een mobiele telefoon kregen). Messaging apps zoals Facebook Messenger en Snapchat kennen een breed gebruik onder jongeren. Uit digiMeter bleek bijvoorbeeld dat bij jongeren tussen 15 en 19 jaar die een smartphone bezitten, het sturen van berichten via OTT-messaging apps intussen bijna even populair is als het sturen van klassieke SMS’en (met Facebook Messenger en Snapchat als populairste apps).

digiMeter 2014 - Dagelijks gebruik messaging en telefonie op smartphone

digiMeter 2014 – Dagelijks gebruik messaging en telefonie op smartphone

 

De tablet is dan weer een toestel dat erg toegankelijk is voor kleine kinderen. Voor volwassenen is het vaak onvoorstelbaar hoe snel kinderen vaardigheden aanleren om een tablet te bedienen. In het AdLit-rapport wordt een studie door ‘Mijn Kind Online’ aangehaald, dat een vergelijking maakt met een prentenboek:

Vanwaar die enorme populariteit van de tablet bij jonge kinderen? Het succes heeft wellicht niet enkel te maken met het feit dat tablets vlotjes in het bereik van kinderhanden liggen in de vele huishoudens. De belangrijkste reden, zoals uiteengezet in een rapport van Mijn Kind Online (2011), is de aansluiting van tablets bij de leefwereld van kinderen. Een tablet zou net als een (prenten)boekje zijn, waar niet zo snel op vastgelopen kan worden als op een pc met een muis: navigeren kan met de vingers op het scherm (‘swipen’), en terugkeren naar het beginscherm kan doorgaans via een grote centrale (fysieke) knop op het toestel. Op die manier wordt ook de aandacht langer vastgehouden. Het gaat echter ook veel verder dan slechts een ‘(prenten)boekje’: de tablet biedt namelijk veel interactieve mogelijkheden aan die goed aansluiten bij de experimenteerdrang van kleine kinderen en waarvoor ze telkens beloond worden met nieuwe dingen (Mijn Kind Online, 2011).

Uit dit eerste rapport blijkt dat leeftijd een bepalende factor is in het mediagebruik van minderjarigen. Dat is echter niet de enige factor. Ook de sociaal-economische status (SES) van het gezin speelt een erg belangrijke rol in het mediagebruik van minderjarigen. Het tweede deel van het rapport gaat daar dieper op in. Belangrijkste conclusie is daar dat de digitale kloof nog niet gedicht is. Kinderen en jongeren uit gezinnen met lagere SES hebben beperktere toegang tot digitale media (minder toestellen ter beschikking, en vaak van mindere kwaliteit), en bovendien blijkt dat ouders uit lage SES-gezinnen minder vertrouwen hebben in het internet als medium, en vaak ook de vaardigheden missen om er mee om te gaan. Sociaal-economische Status is dus zeker, naast leeftijd, een belangrijk concept dat meegenomen dient te worden in het verdere AdLit-project.

* AdLit is een SBO onderzoeksproject waaraan verschillende onderzoeksgroepen uit Vlaamse universiteiten meewerken. Voor Universiteit Gent zijn onderzoeksgroepen CEPEC, Onderwijskunde en CJS verbonden aan het project. Bij Universiteit Antwerpen zijn onderzoekers uit MIOS en Marketing betrokken. Ten slotte werken ook CEMESO (VUB) en ICRI (KU Leuven) mee aan het AdLit project.

 

Innovatie-adoptie in Nederland

Het Nederlands onderzoeksbureau Newcom Research & Consultancy heeft de adoptie- en bekendheidscurve van de Nederlandse consument voor een aantal innovaties in kaart gebracht. Het Newcom TechTrends 2014-rapport kun je gratis opvragen.

In totaal vulde een representatief sample (geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en provincie) van 1.707 Nederlanders (18+) de online vragenlijst in. De centrale vraag van het onderzoek is: “Wat is de bekendheid en het gebruik van verschillende technologieën in Nederland?”

Het rapport zoomt in op volgende domeinen:

1. Contactloos betalen
2. Online colleges
3. Ridesharing
4. E-health toepassingen
5. Smartwatches
6. Drones, Virtual Reality en Google Glass

Van de eerste 5 innovaties werd telkens de bekendheid en het gebruik van enkele concrete voorbeelden bevraagd, van de laatste werd enkel de bekendheid gemeten. De resultaten werden afgezet op een adoptiecurve:

Adoptiecurve general

Contactloos betalen is al gekend bij 73% van de Nederlanders, en 19% heeft hier al gebruik van gemaakt. Bij contactloos betalen houdt de consument zijn bankkaart of mobiel toestel dichtbij een ontvanger houden. Meestal is voor bedragen onder de €25 geen pincode of andere vorm van authentificatie nodig. Deze vorm van betalen is bij ons vooral gekend door de buzz die Apple gecreëerd heeft rond Apple Pay bij de lancering van de iPhone 6 en Apple Watch begin september. In Nederland zijn bankkaarten van ING en ABN al uitgerust met een NFC-chip voor contactloos betalen. Een andere methode verloopt via de smartphone. Sommige smartphones ondersteunen al NFC, maar een andere mogelijkheid is het gebruik van apps waarbij je bv een QR-code moet scannen (een voorbeeld hiervan is de Bancontact-app). In Leiden werd in 2013 een grootschalig experiment opgezet om te polsen hoe consumenten en ondernemers zouden denken over contactloos betalen als ze het uittestten. In totaal namen zo’n duizend consumenten deel, en 180 ondernemers en handelaars. Het experiment duurde zo’n 3 maanden, waarbij de consumenten de opdracht kregen om per week minstens 25 contactloze betalingen te doen. Het was een succes. 84% van de consumenten deden per week meer dan de gevraagde 25 contactloze betalingen. Gemiddeld werd er per week in totaal voor zo’n €20.000 aan contactloze betalingen gedaan, gemiddeld aan €10,51 per transactie. Deze techniek wordt dus voornamelijk voor kleinere aankopen gedaan: 92% van de contactloze betalingen waren minder dan €25. Ook de handelaars waren erg tevreden. Contactloze betalingen waren gemiddeld 7 seconden sneller dan traditionele betalingen via cash of met gewone bankkaart. Voor 38% was de ervaring positiever dan vooropgesteld, voor 47% kwam het overeen met de verwachting. Enig minpunt was dat de terminal af en toe een technisch defect vertoonde, wat uiteraard wel vaker voorkomt bij relatief nieuwe technologieën.
In het Newcom TechTrends-rapport werden 3 vormen van contactloos betalen onderzocht: De bankkaarten van ING en ABN (uitgerust met de NFC-chip), en de  apps MyOrder Cashless en de Vodaphone SmartPass (waarmee je zowel mobiele betalingen kunt doen, maar ook betalingen via NFC kunt uitvoeren). Het meest gekend en gebruikt zijn de bankkaarten van ABN en ING (gekend door 63%, gebruikt door 15%). Voordeel blijkt vooral dat het erg gemakkelijk en snel in gebruik is. Maar tegelijk is het voor velen nog onbekend terrein, en zolang je het niet getest hebt, blijft het voor een grote groep een vaag concept. Bovendien is het niet altijd duidelijk waar je contactloze betalingen kunt doen. Iets meer mannen (21%) dan vrouwen (17%) hebben al gebruik gemaakt van deze techniek. Het zijn ook vooral jongeren en mensen met een hoger diploma die hiermee al vertrouwd zijn.

contactloos betalen

 

Een andere trend is het opzetten van online colleges, of Massive Open Online Courses (MOOCs). Dit is een vorm van cursussen aanbieden, waarbij fysieke lessen vervangen of ondersteund worden door online beeldmateriaal en discussieplatformen. Sinds het academiejaar 2014-2015 is de Universiteit Gent en iMinds gestart met een eerste MOOC-cursus aan te bieden. Het gaat om een cursus rond ondernemen, waarbij internationale sprekers filmpjes en lezingen online plaatsen, en waarbij de studenten dan op een online forum in discussie treden met elkaar. In Nederland is men al ruimer vertrouwd met dit concept. Zo heeft de Technische Universiteit van Delft alleen al 15 MOOCs lopen.
Het TechTrends-rapport zoomt in op 3 internationale platformen: Coursera (met onder andere cursussen van Universiteit van Amsterdam, Technologische Universiteit van Eindhoven en Stanford University), edX (met cursussen van onder andere MIT en Harvard (die samen edX hebben opgericht), TU Delft en Université Catholique de Louvain-La-Neuve) en iTunes U (een ietwat ander concept: naast cursussen van onder andere MIT, Harvard, Oxford en Yale, biedt iTunes U de mogelijkheid aan leerkrachten om tablets intensief te gebruiken in de klas: het ondersteunen van de les zelf, het opvolgen van taken, en het maken van toetsen en examens).
Het concept van MOOCs is bij 1 op 5 Nederlanders gekend; dat aantal stijgt naar ongeveer 1 op 4 bij mannen, bij wie jonger is dan 55 jaar, en wie hogeropgeleid is. Het gebruik ligt nog een pak lager: slechts 5% zegt ooit al een online cursus gevolgd te hebben (bij wie jonger is dan 35 stijgt dit naar 11%).  Het meest gekend is iTunes U (18% van de Nederlanders kent dit, tegenover slechts 3% voor Coursera en edX). De platformen blijken vooral een zegen om op een open en toegankelijke manier iets bij te leren over een topic dat je interesseert. Wie die intrinsieke motivatie niet ervaart, vindt al gauw dat de online cursussen een overbodige luxe is, zonder meerwaarde.

Over Ridesharing is er heel wat te doen geweest. Het gekendst voorbeeld bij ons is de taxi-app Uber. Uit vrees voor oneerlijke concurrentie tegenover klassieke taxi-bedrijven,  hebben heel wat landen en steden een verbod op Uber (en dan  vooral de dienst UberPop, waarin niet alleen taxi-chauffeurs met een licentie een rit mogen aanbieden, maar ook particulieren) en soortgelijke diensten ingesteld (al is bijvoorbeeld Duitsland al voorlopig teruggekeerd op dat verbod).
Naast Uber peilde het TechTrends-rapport ook naar de kennis en het gebruik van gelijkaardige apps als het Nederlandse Snappcar en MyWheels.
In Nederland heeft 37% al gehoord van minstens 1 van deze drie ridesharing-apps. Bij hogeropgeleiden is dat 57%, en bij mannen 46%. Slechts 3% zegt al effectief gebruik gemaakt te hebben van een ridesharing-app. Het meest gekend is Uber (29%). Voordelen die vaak terugkeren zijn het gebruiksgemak en de snelheid waarmee je een kunt reserveren of een auto kunt lenen. Mensen die al een auto bezitten, zien vaak het nut niet in van dergelijke apps; de repondenten percipiëren de apps vooral als een middel om een rit te reserveren of een auto te huren, en niet om zelf een rit aan te bieden of een auto uit te lenen.

Een vierde trend zijn de e-health toepassingen. Hier werden drie categorieën bevraagd: medicijnen via internet (bijvoorbeeld thuisapotheek.nl), zorg op afstand (toepassingen die het mogelijk maakt om patiënten te monitoren, zonder dat ze in het ziekenhuis hoeven te verblijven), en op zorg gerichte apps (bijvoorbeeld b-Slim, een app die mensen met overwicht helpt om op een verantwoorde en duurzame manier af te vallen). Vooral online apotheken zijn gekend bij Nederlanders: 71% kent het, en 17% heeft hiervan al gebruik gemaakt. In tegenstelling tot de meeste andere innovaties, is dit meer gekend bij vrouwen en bij wie ouder is dan 56. Zorg op afstand is gekend bij 42% van de Nederlanders (53% bij de 56-plussers), en op zorg gerichte apps bij 48% (57% bij hogeropgeleiden).

Smartwatches mogen zeker niet ontbreken. Meer info over dit segment kun je onder andere in de blogpost over de Apple Watch terug vinden. En die Apple Watch toont meteen al zijn kracht voor de markt van smartwatches: ook al komt die pas uit begin 2015, toch is de Apple Watch met voorsprong de meest gekende smartwatch in Nederland (39% bekendheid voor Apple Watch, tegenover 27% voor de nummer 2, Samsung Gear). De totale bekendheid van smartwatches ligt op 67% (met hogere cijfers bij jongeren en hogeropgeleiden). Het gebruik van smartwatches is nog heel laag: amper 1% heeft een smartwatch. Als de Apple Watch zijn verwachtingen inlost, dan kan dit cijfer volgend jaar al een pak hoger liggen.

Een laatste categorie overkoepelt Virtuele Realiteit (VR), drones en Google Glass. Bij deze technologiën werd enkel gepolst naar de bekendheid ervan. Drones zijn het meest gekend (80%), Google Glass is bij bijna 7 op 10 gekend en VR bij 1 op 4. Bij elk van die innovaties zijn het vooral jongere, hoogopgeleide mannen die hiermee bekend zijn.

Samengevat op de adoptiecurves geeft dit het volgend beeld. De gekendheid van de innovaties is intussen al gegroeid vanuit het segment van de Early Adopters naar Early Majority. Trends als smartwatches, Google Glass, contactloost betalen en medicijnen via internet zijn zelfs al gekend bij de Late Majority. Het gebruik van die technologieën staat nog minder ver. Enkel contactloos betalen, medicijnen via internet en zorgapps op smartphone hebben al de Early Majority bereikt; de overige zitten nog in de Early Adopters-fase.

Adoptiecurves gekendheid en gebruik